logo idiomorf  
Bekijk de tekeningen op deze website en zie de kracht van de eenvoud
vorige afbeelding terug naar overzicht volgende afbeelding    
   
Tekening over kanker in de luchtwegen, longen, luchtpijp, bronchiën en longblaasjes  

 
 
 
   

De luchtwegen van het menselijk lichaam
Wij hebben voor deze opdrachtgever een reeks voorlichting illustraties gemaakt over de functie en aandoeningen van de luchtwegen in het menselijk lichaam. Kijk ook op ander pagina's van deze website voor meer medische tekeningen en animaties. Neem gerust contact met ons op voor verdere informatie of vragen.
Met deze opengewerkte medische illustratie begrijpt de gebruiker beter waar de longen, longblaasjes, bronchiën en luchtpijp zich bevindt en hoe deze zich in grootte verhoudt. Ook toont de overzicht tekening de ligging van deze organen onderling tenopzichte van het menselijk lichaam. Deze opdrachtgever heeft ons deze illustratie laten maken om te zorgen dat de lezer goed ingelicht is over hoe deze organen eruit zien. Onze tekeningen kenmerken zich door eenvoud. Deze kunnen ingezet worden voor zowel gedrukte als digitale media.

Gasuitwisseling (zuurstof en kooldioxide) in de longen
De lucht die we inademen bestaat uit een mengsel van ongeveer 78% stikstof (N2), 21% zuurstof (O2), 0,03% kooldioxide (CO2) en een kleine hoeveelheid restgassen. Stikstof is een inactief gas (inert gas) en heeft nagenoeg geen invloed op de ademhaling. Het heeft wel als nadeel dat het vergiftigend kan werken. Zuurstof en kooldioxide worden bij de ademhaling daadwerkelijk gebruikt. De lucht die we inademen bevat 21% zuurstof en 0,03% kooldioxide, maar de lucht die we uitademen bevat 16% zuurstof en 5,6% kooldioxide. Ons lichaam verbruikt dus ongeveer 5% zuurstof van de lucht die we inademen en scheidt 5,5% kooldioxide af. Bij het verbruiken van de zuurstof wordt dus kooldioxide aangemaakt. Zodra het gehalte kooldioxide in de longblaasjes een bepaalde grens bereikt, wordt er een zenuwprikkel aan het ademhalingscentrum in de hersenen gegeven. Hierop krijgen middenrif en spieren in de borstkas het sein om samen te trekken en ademen we in. Door het inademen neemt de hoeveelheid kooldioxide in de longblaasjes weer af. De ademhalingsprikkel verdwijnt en we ademen weer uit. Zodra het koolstofgehalte weer toeneemt, krijgen we weer een inadem-prikkel. Dit is meetbaar met een spirometer. De patiënt moet in een slangetje van rubber of karton blazen waaraan het apparaat verbonden is. De conditie van de uitgeademde lucht wordt direct gemeten. De resultaten worden grafisch weergegeven op een zg. spirogram en kunnen automatisch vergeleken worden met referentiewaarden.

Longen
In het menselijk lichaam liggen de twee longen naast elkaar in de borstkas. De linker long is wat kleiner omdat het hart hierin uitgespaard is. De ribben vormen een bescherming voor de longen. Omdat longen bestaan uit een zacht, sponsachtig materiaal, zijn deze erg kwetsbaar. Ze vormen een belangrijk orgaan in de gaswisseling. Je haalt er zuurstof mee uit de lucht die je inademt. Die zuurstof wordt via de longblaasjes opgenomen door het bloed. Bloed transporteert die zuurstof weer naar alle delen van het lichaam.

Luchtpijp
De luchtpijp (trachea) ligt in het verlengde van het strottenhoofd en loopt richting de longen. De luchtpijp ligt vůůr de slokdarm (oesofagus), die weer voor de halswervelkolom ligt. De luchtpijp is bovenaan door bindweefsel verbonden met het ringkraakbeen (cartilago cricoidea) van het strottenhoofd. Vanaf het strottenhoofd loopt de luchtpijp tot aan ongeveer de vijfde wervel van de borstkas (thorax) en splitst zich daarna op in de rechter- en linkerbronchus. De luchtpijp bestaat uit kraakbeenen ringen die met elkaar verbonden zijn door glad spierweefsel en bindweefsel. De binnenkant van de luchtpijp is bedekt met slijmvlies.

Longblaasjes
Lucht stroomt via de bronchiŽn de longen binnen. Die bronchiŽn vertakken zich tot enorm veel kleine buisjes, ook wel haarvaten genoemd. Hierdoor ontstaat een boom-structuur. Aan het eind van elk buisje zit een balletje: een longblaasje. Langs elk longblaasje lopen kleine bloedvaatjes. De longblaasjes (280 miljoen!) voeren zuurstof uit de lucht mee aan het langs stromende bloed. Als je lichaam zuurstof gebruikt, maakt het een andere stof: koolzuurgas. Die stof halen je longblaasjes juist weer uit je bloed om dat door je mond en neus uit te ademen.

Werking van de longblaasjes Alle cellen in het lichaam hebben zuurstof nodig. Die zuurstof wordt uit de lucht in de longen gehaald. De rode bloedcellen bevatten een rode kleurstof, hemoglobine. Door deze hemoglobine kunnen de rode bloedcellen gemakkelijk zuurstof opnemen. De rode bleodcellen brengen de zuurstof naar alle cellen in het lichaam. Het bloed brengt niet alleen zuurstof naar de cellen in het lichaam maar haalt daar ook afvalstoffen zoals koolstofdioxide op. De koolstofdioxide wordt opgenomen door het bloedplasma en in de longen afgegeven aan de lucht. Dit adem je dan weer uit.

Longkanker
De belangrijkste veroorzaker van longkanker is roken. Negentig procent van alle patiënten met longkanker heeft ooit gerookt. Ook passief meeroken geeft een verhoogde kans op longkanker. De tabak van sigaretten bevat kankerverwekkende stoffen. Daarnaast kunnen ook andere stoffen bij blootstelling longkanker veroorzaken. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand blootgesteld is aan asbest. Mensen die al geen optimaal werkende longen hebben en bijvoorbeeld astma patiënt zijn, hebben ook meer kans op het krijgen van longkanker.

Zoals de tekening laat zien ontstaat er bij longkanker een kwaadaardige tumor in het longweefsel of de luchtpijpvertakkingen. Kanker kan zich ook vanuit een ander orgaan via het bloed en lymfeklieren verspreid hebben naar de longen, zodat een tumor in de long ontstaat. Dit heet een uitzaaiing of metastase. In dit geval spreken we niet van longkanker, maar het type kanker wordt vernoemd naar het orgaan van oorsprong. Op zijn beurt kan longkanker zich ook via bloed en lymfeklieren verspreiden naar andere organen en uitzaaiingen van kanker veroorzaken.

Longkanker bestaat in verschillende vormen, afhankelijk van het soort cellen waaruit het kankergezwel is opgebouwd. Zo is er kleincellige longkanker en het vaak voorkomende niet-kleincellige longkanker, ook wel plaveiselcarcinoom genoemd. Dat kankerweefsel groeit minder snel en zaait ook minder snel uit via bloed en lymfe dan de kleincellige vorm van longkanker. De kleincellige vorm komt voor bij ongeveer een kwart van de patiënten. Dit groeit en verspreidt zich veel sneller.

Longkanker wordt vaak pas in een laat stadium ontdekt door het ontbreken van ernstige symptomen. Daardoor kan het zijn dat de kanker zich al heeft uitgebreid. Mogelijke klachten zijn een verandering in hoesten naar hardnekkige prikkelhoest met soms wat bloed in het opgehoeste slijm, kortademigheid, vaak terugkerende longontsteking, aanhoudende heesheid, een fluitend geluid bij het ademhalen en een zeurende pijn in de borststreek. Een meer algemene klacht die op kan treden is een verminderde algehele conditie die zich uit in vermoeidheid, slechte eetlust en/of gewichtsverlies. Ook sufheid en hoofdpijn kunnen soms met longkanker te maken hebben, maar kunnen natuurlijk ook een andere oorzaak hebben.

De aanwezigheid van een tumor kan in lymfeklieren die zich in de omgeving bevinden, leiden tot een verhoogde activiteit, een soort ontstekingsreactie. De lymfeklier presenteert zich dan op het camerabeeld ook als hot spot, terwijl er toch geen uitzaaiing zit. Daarom is in zulke gevallen altijd een bevestiging van de diagnose nodig door middel van een weefselpunctie, waarna het materiaal onder de microscoop wordt onderzocht.